It kin net

It kin net

Onder de resten van een ingestort boothuis schreef ik mijn vorige verhaal (lees bijpraten 60). En, zoals je nu kunt lezen, heb ik het er uiteindelijk levend vanaf gebracht.

Ondertussen zijn we alweer een paar maanden verder. Het is nu winter. Althans, als we het zo mogen noemen. Natuurlijk heet dit seizoen zo, maar dat is alleen op papier. Op kalenders en dergelijke. Volgens mij behoren er zich toch echt een aantal weerkundige zaken af te spelen, voordat we deze periode winter mogen noemen. Er is geen sneeuw en het vriest niet.

Een brommer is toch alleen maar een brommer als je een motortje onder de fiets monteert? Anders blijft het een fiets. Eigenlijk zitten we nu nog in de herfst, maar noemen we het gewoon anders.

Als er ijs op de sloten ligt, dan hoor je mij niet zeuren. Dan klopt het weer. En dat ijs, precies dat ijs, daar draait dit verhaal om.

Zittend op een bankje aan de Gouw in Zaandam, kijk ik uit over het kabbelende water. Geen ijs! Er zwemmen wat eenden rond en ze hebben ondertussen wel door dat ze van mij geen brood hoeven te verwachten. Ik zit daar en wacht. Warme schoenen, dikke sokken. Een gewatteerde jas en een muts op mijn hoofd. Het is ondanks een flauw zonnetje best fris. Mijn handen steken in een paar gebreide wanten. Ik kijk naast mij op het bankje. Op de verweerde planken ligt een paar schaatsen: hoge noren van het merk Viking. Naast het bankje staat een houten slee met ijzeren glijders eronder. Voor de zoveelste keer wrijf ik nog eens flink mijn handen warm en ik wacht. Hoe lang zit ik hier ondertussen? Een behoorlijke tijd al.

“Het zal toch wel gaan gebeuren”, mompel ik in mezelf. Ik kijk nog eens naar de schaatsen en daarna naar het water. Nogmaals staar ik naar de schaatsen. Hoeveel tochten ik daar op heb geschaatst weet ik niet meer precies. In een vlaag van nostalgie trek ik ze aan. Ze voelen koud rond mijn voeten, maar ze zitten lang niet slecht. Terwijl ik de veters nog eens strakker aansnoer, hoor ik mensen achter mij praten en lachen. Ik draai me om en zie dat vier vrouwen en een man in mijn richting kijken. Waarschijnlijk zien ze iets aan de overkant van de Gouw. Zelf zie ik daar niets waarom ik zou kunnen lachen. Ik sta eens op en voorzichtig loop ik naar de oever. Misschien zie ik het vanaf daar wel. De ijzers zakken weg in het gras, maar het gaat. Opnieuw lachen de mensen. Ik zie nog steeds niets bijzonders aan de overkant. Maar mijn rechter schaats! Er zit hondenpoep aan het ijzer. Terwijl ik me vast houd aan een dun boompje beweeg ik de schaats door het water om de narigheid er af te spoelen. Voorzichtig stamp ik ermee op een groenbruin paaltje, vlak onder de waterspiegel.

“En?” hoor ik achter mij. “Is het al dik genoeg?”

Ik kijk, en zie nu zeker tien mensen. Het groepje is aardig gegroeid. Ze hebben duidelijk plezier. Sterker: ik zie er een paar dubbel staan van het lachen. De vraag herhaalt zich traag in mijn hoofd: “Is het al dik genoeg?” Ik besef nu pas dat niet íets aan de overkant hun aandacht trekt, maar dat ik dat moet zijn. Zij zullen toch niet denken dat… En die slee! Ik voel me ineens bijzonder ongemakkelijk. Moet ik ze nu gaan uitleggen dat… Ah, wat zie ik daar? Ja, gelukkig! Uit een auto die pas is komen aanrijden stapt een man. Hij zwaait naar me en ik zwaai terug. Ik ervaar een geweldig gevoel van opluchting. Stel je voor dat hij niet was komen opdagen. Dan had iedereen daar mij voor gek versleten!

Even later staat hij tegenover me. “Excuses dat het zo lang duurde. File, stoplichten tegen, te laat weg”. Ik schud mijn hoofd om duidelijk te maken dat het niet erg is. “Dus dat zijn ze?” De man wijst op mijn schaatsen en de slee. “Ja, dat zijn ze”, antwoord ik.

De man haalt een portefeuille tevoorschijn en haalt er twintig euro uit. Ondertussen heb ik mijn schoenen weer aan. Hij overhandigt mij het geld en ik geef hem de schaatsen en de slee. Bedankt dat u hier op me wilde wachten”, zei de man.

“Deze buurt ken ik tenminste. Dat gezoek in de stad vind ik altijd vreselijk. Ik waardeer het ten zeerste.” Ja, inderdaad”, antwoord ik. “Marktplaats is fantastisch om voordelig aan je spullen te komen, maar het is iedere keer wel weer zoeken naar het huis van de verkoper. Super handig om af te spreken bij dit bankje. Bedankt!”

Fred.