Achter het hek

Achter het hek

Ik telde de tegels van het pad. Gek, iedere keer als ik hier liep kwam ik op een ander getal uit. Dat moest aan mij liggen. Niet aan de tegels. De zon scheen en rondom mij scharrelde allerlei vogeltjes in de struiken. Wat een gekwetter! Aan het einde van het van het pad stond ik, zoals altijd, voor het smeedijzeren hek met daarachter een oud bos. Voorzichtig duwde ik tegen het draaibare deel. Deze keer leek alles anders dan in voorgaande jaren. Altijd kraakte en piepte de scharnieren, en zonder veel weerstand kon ik het hek openen. Deze keer echter, zat het vastgeroest en kon ik er pas na enig geweld wat beweging in krijgen. Verder dan een kleine veertig centimeter bleek onmogelijk, maar ik paste er tussendoor. En zoals altijd viel mij direct op hoe intens stil het hier was. Aan de ene kant van het hek raakten mijn trommelvliezen haast overspannen door het onophoudelijke bombardement van vogelgekwetter. Maar aan de kant, achter het hek, was het zo intens stil dat het mij beangstigde. Vooral het onverklaarbare feit dat de enige grens tussen wel of geen geluid bestond uit een oud hek van roestig ijzer. Iedere keer verbaasde ik mij hier weer over. Toch was het ondertussen al de zesde keer dat ik hier naartoe was gereisd. Wat ik hier precies zocht was mij niet duidelijk. Altijd voelde ik sterk de drang om hier weer heen te gaan. Ieder jaar in de lente stak het de kop op. Eerst heel licht en onbeduidend, maar tegen de zomer was iedere vorm van redelijk verstand verdwenen. Ik moest en zou hierheen, maar ik had geen idee waarom.  Dus controleerde ik het oliepeil van de auto en reed ik naar dit stukje niemandsland tussen Nederlands Limburg en Duitsland. Via Gelderland kom ik op  de Neutraleweg. Even later zit ik op de Grensweg die tussen Nederland en onze oosterburen loopt. Die volg ik een heel eind en ineens sla ik ergens linksaf. Het vreemde is dat ik op de kaart niet precies kan aanwijzen waar het ligt. En ik rij er op aan zonder routemap of een ander soort planner. Het is alsof ik naar deze plek word toegeleid. Maar door wat of wie? Geen idee! Ieder jaar denk ik dat aan mij wordt geopenbaard waarom ik daar moet zijn, maar nee. Dat gebeurt nooit. Feitelijk vormt deze rit voor mij het hoogtepunt van het jaar. Dit klinkt misschien vreemd, maar als ik het vergelijk met… met… Vreemd, ik kan mij verdorie niet herinneren wat ik de rest van het jaar doe. Ach, dat komt straks wel weer. Misschien wordt het hier net zoals als het geluid van de vogels onderdrukt door een geheimzinnige kracht.

Vaag begin ik mij bewust te worden van mijn doel hier: ik moet iets vinden. Ik moet er meer mijn best voor doen dan in de vorige jaren. Het hek kostte me ook al meer moeite, dat voelt als een goed begin. Een soort overwinning van… Ja, van wat? Het gras was hoog, maar toch niet hoger dan vorig jaar. Mijn benen doen het goed. Daar mankeerde het in het verleden wel eens aan. Nu kan ik vast dieper het bos in. Ja, ik heb de heuvel waar ik nooit tegenop kwam al bereikt. Het kost me weinig moeite om hem te beklimmen. De stilte is werkelijk oorverdovend, maar toch hoor ik heel erg ver weg mensen mompelen. Vanaf de heuvel zie ik een oud, half in elkaar gezakt houten schuurtje. Er bekruipt mij ineens een gevoel van angst en bezorgdheid. Mijn knieën knikken terwijl in mijn oren de stemmen luider worden. Komen ze uit het houten krot? Nee, eerder van links, rechts en van boven mij. Hoewel ik eigenlijk nog zeker tien meter had moeten afleggen sta ik in één stap bij de deur van het gammele hok. Mijn rechterhand drukt als vanzelf de klink omlaag en meteen springt met een klik de deur op een kier. Behoedzaam open ik hem verder. Helder zonlicht dringt de stoffige ruimte binnen en ineens, als in de schijnwerpers van een theater, zie ik daar iemand zitten. De schok is groot, alsof ik keihard wordt geraakt met een zware houten hamer. De man staat op uit zijn gammele houten stoel. Hij kijkt me met vermoeide ogen aan. Ik begrijp het niet… Die man… ben ik! En terwijl ik naar adem hap ontstaat er een kracht die nog het best te vergelijken valt met die van magneten. De man in het schuurtje en ik worden met een enorme kracht naar elkaar toegetrokken. Er klinkt een klik en mijn ogen gaan open. Een jonge vrouw in een witte jas kijkt me aan. “Hij is wakker!” roept ze verschrikt. Even later staan er meer mensen om het bed heen waarin ik lig. Gedurende de dag kwam ik er achter dat iedereen zich hogelijk verbaasde over mijn goede gezondheid. Ik was zwak, maar gezond. Spreken, luisteren een glas water drinken. Ik kon dat en was daar niet verbaasd over. Zij wel. Er kwam een vrouw de kamer binnen die ik herkende als mijn zuster. “Wietske!” riep ik schor. “Wat gebeurt er allemaal?”

Ze pakte mijn handen vast en fluisterde: “we hadden nooit meer verwacht dat je eruit zou raken”.

Ik begreep haar niet. “Waaruit bedoel je?” Ze kneep wat harder in mijn handen. “Uit die verdomde coma natuurlijk! Sinds de politie je zes jaar geleden uit dat schuurtje in het bos haalde ben je niet meer bij kennis geweest.”